web analytics


May 152014
 

CUT-issue-13-cover500

CUT magazine about art, issue #13, 2014
29,7 x 21 cm, 24 pp.
digital printed magazine
edition 60 of which 35 for SCS

for SCS / Special Cut Subscribers this issue comes with an ink-fish ink screen print by Raphael Langmair
signed, numbered, dated
edition of 35 + 8 AP + 1 HC

 

Issue #13 opens with an essay by historian Roel Hijink* on a Dutch art collector who decided to have a fence built around his estate in Bentveld next to Zandvoort in the Netherlands. It caused a public row due to the fact that the Studio Job’s design of the fence was inspired by the Buchenwald concentration camp. At the back of the magazine one may find a PostNL stamp (for use) especially made by artist Elsbeth Ciesluk.

‘CUT magazine about art appears irregularly however often’ and is published by Galerie van Gelder. This is the thickest issue ever made and for the first time the magazine is printed with a dust cover; hand made by Raphael Langmair and printed with ink-fish ink and its accompanying smell.
*
Dr. Roel Hijink got his Ph.D. with a thesis on ‘Former concentration camps. The monumentalizing of the German camps in the Netherlands’ published by Uitgeverij Verloren in 2012.

 
Dust cover issue #13, i.e. signed and numbered print by Raphael Langmair:

CUT-issue-13-dustcover500

 

ZELF EEN KAMP BOUWEN – Roel Hijink

Tien jaar geleden sloeg mij de schrik om het hart. Mijn zoon, toen een jaar of acht, speelde met Lego en had daarmee een bouwwerk gemaakt. Nieuwsgierig vroeg ik wat het voorstelde. “Een gaskamer” was het antwoord. Een gaskamer mompelde ik hem zachtjes na.
Een gaskamer. Wat was er gebeurd, was hij besmet geraakt met het kwaad waaraan hij tijdens onze vakanties was blootgesteld, toen het mij goed uitkwam een vakantiedag op te offeren ten behoeve van onderzoek en wetenschap? Had de opvoedkundige taak gefaald? Had ik hem überhaupt mee moeten nemen naar een voormalig kamp? Een bezorgde professor had me nog zo gewaarschuwd. Als kind had hij gruwelijke foto’s uit de oorlog gezien waarvan de beelden nog lang in zijn hoofd rondspookten. Inderdaad, gruwelijke foto’s waren er in het kamp genoeg te zien geweest maar die had ik mijn zoon onthouden. Alleen het voormalige kampterrein hadden we bezocht met daarop de architectonische resten van wat er van het kamp over was. De toegangspoort was nog wel intact en hier en daar stond nog een barak. De rest was leegte. Het was moeilijk geweest uit te leggen wat nu de functie van een concentratiekamp was. Een gevangenis uitleggen is niet zo moeilijk, daar worden misdadigers opgesloten, mensen die hadden geroofd of gemoord. Maar hoe leg je een concentratiekamp uit, waarvan de bedenkers nu als perverse, rationalistische bureaucratische technocraten van de dood worden gezien en waar onschuldige mensen worden opgesloten. De omgedraaide wereld. En in deze gevangenis werden mensen ook nog eens vermoord, door middel van een gaskamer. Tja, hoe moet dat in een kinderziel zijn aangekomen. En nu had hij een gaskamer van Lego gebouwd en ik had gewenst dat ik hem nooit daarheen had meegenomen. Toen ik vroeg hoe de gaskamer werkte antwoordde hij rustig “Hier gaan de boeven in en daar komen ze er weer uit als goede mensen.” Door mijn strak gespannen lippen ontsnapte een straaltje samengeperste lucht en mijn lichaam ontspande.
Toen ik hem nog niet zo lang geleden vroeg of hij zich kon herinneren dat hij als kind een gaskamer van Lego had gebouwd kon hij dat niet. Toch was ik niet gerust. Hij zei dat het zeker tien jaar geleden was dat hij met Lego speelde dus hoe moet hij dat nog weten. Maar ik moet nog vaak horen dat we op vakanties nooit naar pretparken gingen en alleen maar oorlogsmonumenten bezochten. Dat is niet helemaal waar, maar als dat zo herinnerd wordt dan is dat wel waar, althans voor die persoon. En zo weet ik zeker dat hij een gaskamer van Lego heeft gebouwd, een goede gaskamer. Dat wel.

De herinnering aan de Lego-gaskamer spookt vaak door mijn hoofd maar kwam expliciet boven drijven ten tijde rond de commotie over het zogenaamde Buchenwaldhek. Tijdens de televisie-uitzending De Wereld Draait Door begin december 2011 mochten Job Smeets en Nynke Tynagel, samen zijn ze designbureau Studio Job, een toelichting geven op hun werk 1 in het Groninger Museum. Al snel ging het echter over een ontwerp van een hek rond het landhuis van een verzamelaar. De fundamenten voor de poort waren al gestort. Op de bouwtekening die getoond werd was te zien dat het hekwerk was gemaakt van prikkeldraad dat vakkundig vormgegeven was. De poort bestond uit twee schoorstenen verbonden met een boog van wolken. Op het hoogste punt van de boog hing een bel. Deze bel was voorzien van de Latijnse tekst suum cuique, in het Nederlands ‘Ieder het zijne’. Vertaald in het Duits werd dat ‘Jedem das Seine’. Dat hadden ze beter niet kunnen doen. De associatie met kamp Buchenwald was snel gelegd. Hier immers prijkte deze spreuk in de toegangspoort. Het prikkeldraad en de schoorsteenpijpen met wolk werden geassocieerd met de vernietigingskampen.
De verwijzing naar Buchenwald was door Studio Job niet zo bedoeld althans op de vraag of het hek niet heel veel te maken heeft met de concentratiekampen in Duitsland reageerde Smeets: “Oehhh, zo zou ik het niet per se willen zeggen”. De tekst ‘Ieder het zijne’ is eigenlijk een hele luchtige uitspraak aldus Nynagel en de boog met klok was meer een verwijzing naar de poort in de film Once Upone A Time In The West volgens Smeets. Waarom het duo de associatie met Buchenwald en de vernietigingskampen wilde afzwakken was niet duidelijk en al helemaal niet nadat een tafelkleedje werd getoond voorzien van een design dat in abstractie Auschwitz-Birkenau verbeeldde. Het ontwerp was bedoeld als tafelkleedje voor in de VIP lounge, een functionele ruimte die het duo had ontworpen voor het Groninger Museum. In een toelichting op internet laat Job Smeets weten dat het hekwerk een verwijzing is naar “Guantanamo Bay, de Jappen kampen, de kampen in Bosnië en natuurlijk de tweede wereldoorlog.” Het tafelkleedje met Auschwitz-design was een reactie op het kunstwerk Hell van Jake en Dinos Chapman dat in 2002-2003 in het Groninger Museum te zien was geweest. Omdat zij in hun werk altijd op zoek zijn naar iconen zochten ze ook naar het icoon van een hekwerk met de niet oninteressante vraag “wat is een hekwerk en waarom hebben wij als mensen een hekwerk nodig?” Zo kwamen ze tot het hierboven beschreven kunstwerk. Doel van deze Holocaustkunst was een discussie uit te lokken over de positie van design ten opzichte van kunst. Welke discussie bleef verder onduidelijk ook in de tweede uitzending een dag later.
Een media rel was geboren. Deskundigen kwamen aan het woord en spraken schande, omwonenden en het Centrum Informatie en Documentatie Israël (CIDI) hadden een bouwstop geëist, omdat het ontwerp choqueerde en geen respect had voor de slachtoffers. De bouw van het hek ging definitief niet door toen journalist Arnold Karskens in het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging had ontdekt dat de grootvader van Jack Bakker (de verzamelaar en opdrachtgever voor het hek) Jacobus Hendrikus Bakker lid was van de NSB en tussen 1940 en 1945 werkzaamheden had verricht voor de Duitse Luftwaffe en de Duitse overheidsbouworganisatie Todt. Na de oorlog zat J.B. Bakker anderhalf jaar vast wegens collaboratie. Voor Jack Bakker was deze onthulling van zijn opa de druppel. ‘“Zeer tot mijn spijt heb ik moeten constateren dat het wordt geassocieerd met zaken die ik niet heb gewenst toen ik de opdracht gaf tot het maken van de poort”, zegt Bakker.’2 Het Buchenwaldhek dat inmiddels nazi-hek was gaan heten ging roemloos ten onder. Misschien best wel jammer, want de vragen over wat een hekwerk is en waarom wij zo’n systeem nodig hebben werden zo niet nader in beeld gebracht.
Wat had Studio Job nu verkeerd gedaan? Kunst over de Holocaust, of Holocaustkunst, is inmiddels een eigen genre geworden waarbinnen choquerende kunstwerken niet geschuwd worden. De Britten Jake en Dinos Chapman hadden in 2002-2003 in het Groninger Museum Hell geëxposeerd. Een kunstwerk bestaande uit een aantal vitrines waarin het Duitse concentratiekamp was nagebootst met middelen uit de modelbouw. Een aantal jaren eerder had de Poolse kunstenaar Zbigniew Libera LEGO Concentrationcamp Set (1996) ‘op de markt’ gebracht. Een set van Lego dozen waarmee een concentratiekamp gebouwd kon worden. Of er ook een gaskamer gebouwd kon worden, weet ik niet. En om bij de mode en design van Studio Job te blijven, in 1998 had de Amerikaan Tom Sachs Prada Deathcamp ontworpen, een maquette van een kamp gemaakt uit een verpakkingsdoos van het Italiaans modemerk. Ook deze kunstwerken hadden de nodige opschudding veroorzaakt maar ze werden wel geëxposeerd en zelfs aangekocht door musea. Het probleem van Studio Job was dat een goed verhaal achterwege bleef. Of zoals kunstcriticus Rutger Pontzen het schrijft: “Ondanks het fingerspitzengefuhl dat Smeets en Tynagel voor ‘onze tijd’ hebben, kun je het ontwerpduo niet op enig engagement betrappen. Hun hedonistische benadering maakt van alles wat ze onder handen krijgen een blingblingwereld: kasten, wereldbollen, theekopjes, glas-in-loodramen. En om het oeuvre een beetje prikkelender temaken, nu ook een concentratiekamphek. De Holocaust als design, het zou natuurlijk de volgende stap in de acceptatie van de oorlog kunnen zijn. Maar dat is het ‘m juist: wie wil nu dat de jodenvervolging een geaccepteerd lifestyleding wordt”.
Dat een inhoudelijke discussie over de ontwerpen van Studio Job uitbleef was jammer want wat ze wel goed hadden gezien en wat het tafelkleedje, hoe misplaats misschien ook, wel goed verbeeldde, was het feit dat Auschwitz een icoon was geworden. Wat dat icoon inhield of hoe, waarom en waarvan Auschwitz een icoon was geworden werd helaas niet duidelijk. Ook is niet duidelijk geworden wat de betekenis is van het Buchenwaldhek, behalve een icoon van het fenomeen hek. Wat gebeurt er nu precies als je zelf een kamp nabouwt of in dit geval een gedeelte ervan? Met deze vragen kwam de herinnering van de Lego-gaskamer weer boven. Mijn zoon had toen hij zijn gaskamer bouwde de intentie om het kwade in de mens te transformeren in het goede, een zekere mate van engagement kan hem niet ontzegd worden. Ook Libera had zo zijn bedoelingen met zijn LEGO Concentrationcamp Set die gezocht moeten worden, eenvoudig gezegd, in het aan de kaak stellen van traditionele dogma’s omtrent de herinnering aan de Holocaust, het onderricht en de positie van hedendaagse kunst. Maar wat beoogde Studio Job nu met het Buchenwaldhek of misschien interessanter, wat bezielde de verzamelaar om de toegang tot zijn landgoed te voorzien van een poort die de associatie opriep met de vernietigingskampen?

1Job Smeets, december 2011 Antwerpen, http://historiek-net/blogs/de-holocaust-gewoon-een-thematiek-5559. Gelezen 2 februari 2012.
2Arnold Karskens, ‘Nazi-hek definitief van de baan’, in Dagblad de Pers vrijdag 3 februari 2012.

Zelf een kamp bouwen, kunstenaar Joep van Lieshout had het ook al eens gedaan. Niet met de bedoeling om de herinnering aan de Holocaust en de educatie daarover door middel van kunst aan de kaak te stellen maar om een samenleving te creëren, Slave City, die de maximale winst oplevert ten bate van een hoge welvaart. Alle voorwerpen worden gerecycled, zelfs de slaven als deze niet meer functioneren. Zijn gebruik van slaven doet denken aan Animal Farm van George Orwell. Het paard met de naam Klaver wordt als hij doodziek is niet naar een ziekenhuis gebracht, maar verkocht aan de vilder Adolf Slijmpot, Paardenslager en Lijmkoker. Handelaar in Huiden en Beendermeel. Leverancier aan Hondenkennels. Van de opbrengst werd jenever gekocht. Slave City is een model voor een utopische samenleving waar alles zeer rationeel is geregeld, voor bestuurders utopisch voor de bewoners een anti-utopie. Ook de Duitse concentratiekampen waren rationeel van opzet en qua structuur moest het de ideale stad/samenleving vormen. De architectuur stond in dienst van toezicht en discipline van haar bewoners en zo nodig vernietiging. Deze rationele samenleving waar alles precies liep als een goed lopend uurwerk had Frank Zappa geïnspireerd tot zijn film 200 Motels. In deze film liet hij het Royal Philharmonic Orchestra optreden in een nagebouwd concentratiekamp. Het kamp diende als symbool voor alles wat de individuele vrijheid beknot en speciaal de creatieve vrijheid. Het concentratiekamp in de film 200 Motels is voor Zappa een vermaakconcentratiekamp, een muziekkamp gesponsord door de United States Goverment. Boven de entree van het kamp in 200 Motels stond ‘Work liberates us all’, een cynische verwijzing naar de nazi-kampen met haar ‘Arbeit macht frei’ poorten. Met de verwijzing naar de concentratiekampen gaf Zappa zijn visie op het muzikantenbestaan. De muziekindustrie is corrupt en onderhevig aan het kapitalistische systeem dat de creativiteit inperkt ten gunste van de business. Wat Zappa ons wilde laten zien is dat het leven in de schijnbaar vrije stad weinig verschilt van de organisatievorm in een concentratiekamp en dat de machtsverhoudingen binnen deze systemen ook te vinden zijn binnen het zogenaamde vrije muzikantenbestaan, het spelen in een band en het leven on the Road. Het Royal Philharmonic Orchestra musicerend in het nagebouwde concentratiekamp was een metafoor van het muzikantenbestaan.

3 Rutger Pontzen, ‘Holocaust als design’, in: de Volkskrant vrijdag 6 januari 2010.
4 Zie Ernst van Alphen, Schaduw en spel. Herbeleving, historisering en verbeelding van de Holocaust, 2004, 79-120.
5 Joep van Lieshout, ‘Intervieuw met Joep van Lieshout’, in: Oog Magazine, november 2008.

“Je zou kunnen denken dat Slave City allerlei overeenkomsten vertoont met onze eigen samenleving. Maar ik zal nooit zeggen: ‘dit is goed of dit is slecht’. Dat zoekt de toeschouwer zelf maar uit.” 6 Aldus Joep van Lieshout. De kampen van Van Lieshout en Zappa zijn indirect verwijzingen naar organisatievormen en systemen in ons dagelijks leven. Er kwam weer een herinnering bij mij boven. De rituelen die ik meemaakte bij het muziekfestival Lowlands, deed me in analogie deed denken aan die in een kamp zoals ik in dagboeken van overlevenden had gelezen. Het op naam gekochte kaartje werd bij de toegangspoort omgezet in een barcode, de pols werd voorzien van een bandje, persoonlijke eigendommen in de vorm van drugs en drank moesten worden achtergelaten in afvalcontainers: gegeten en gedronken mocht alleen dat wat door de organisatie werd verkocht. Voor de aanschaf had de organisatie eigen ‘kampgeld’ in roulatie gebracht. Slapen gebeurde op overvolle kampeerterreinen, die nachts continue werden bewaakt door felle schijnwerpers en een ordedienst met honden. Voor alles: toegang, eten, drinken, sanitair, tent met muziek moest in lange rijen worden gewacht. Zonder opgaaf van reden kon je zo maar aangehouden worden en gefouilleerd. Het idee dat iedereen zich zelf mag of moest zijn binnen de hekken van het festival was paradoxaal. Of anders gezegd, iedereen was gemortificeerd tot een universele festivalganger die zich schikte naar de wetten van de organisator. De organisatiestructuur van dit festival deed niet veel onder aan die we kennen van de totale architectuur: gekenmerkt door een barrière van gesloten deuren, hoge muren, prikkeldraad of natuurlijke scheidingen als rotswanden, water, bossen of heidevelden. Alle aspecten van het leven als slapen, werken en vermaken voltrekken zich op dezelfde plaats en onder het zelfde gezag. Deze activiteiten zijn geordend in een strak schema. Bedoeling is dat de bewoners gedwongen worden te veranderen wat al begint bij binnenkomst: de mortificatie, waar het ego wordt doodgemaakt. Hij moet zijn persoonlijke bezittingen afgeven, zijn haar wordt geschoren, krijgt een uniform aan en zijn naam wordt veranderd in een nummer. Het is een ritueel dat we zien in kazernes, gevangenissen, kloosters en internaten en concentratiekampen.7 Ik ben nooit meer naar dat festival geweest. En zal er waarschijnlijk ook nooit meer komen toen ik las dat er proeven zijn genomen met polsbandjes voorzien van een gps-systeem. Iedere bezoeker kan gevolgd worden en ongewenst gedrag kan zo worden herkend en uitgebannen.8 Woodstock en Kralingen zijn ineens heel ver weg.
PVV- politica Fleur Agema ontwierp aan de Hogeschool van de Kunsten Utrecht (2004) een voor haar ideale gevangenis. Kunstenaar Jonas Staal had haar ontwerp, beschreven in een 344 pagina’s tellende masterscriptie, vertaald naar een maquette. De gevangenis bestaat uit een massief gebouw en is groots, donker en dreigend. Het gebouw is gemaakt van zwart en grijs beton en omringd door torenhoge hekken. De cellen zijn betonnen holen met een betonnen verhoging als bed en een betonnen uitstulping met een gat als wc. Een spleet in de muur dient als raam. Het geeft een streepje licht. De gevangenis heeft ook een afdeling waarin de gevangenen worden voorbereid op een terugkeer in de samenleving. De afdelingen hebben namen als: ‘Het Fort’, ‘De Legerplaats’, ‘Artillerie Inrichting’ en ook ‘De Wijk’. De Wijk is een imitatie-vinexwijk met camerabewaking.9 Staal kwam tot de conclusie dat Agema’s architectuur naadloos past binnen het samenlevingsmodel dat de PVV voorstaat: “[…] het streven naar een samenleving gericht op discipline, efficiency en productiviteit, waarin alle ‘onproductieve elementen’ worden weggezuiverd”. Staal: “Hier zijn het gevangenen, maar het zijn in de PVV-ideologie net zo makkelijk moslims, werklozen of kunstenaars. Iedereen die niet past in hun productiviteitsmodel wordt uitgesloten.” Het doet denken aan Slave City van Van Lieshout. Om toezicht te houden op mensen en ze te disciplineren is vandaag de dag geen steen, ijzer en hout meer nodig. De digitalisering rukt op. Zo kunnen bijvoorbeeld vrijheidsstraffen met zogenaamde elektronische detentie buiten de inrichting uitgezeten worden. Muren, prikkeldraadomheiningen, wachttorens, grachten, toegangspoorten – alle bekende iconen van totale architectuur zoals te vinden bij het concentratiekamp – kunnen worden vervangen door elektronische systemen. Je zou kunnen spreken van digitale muren bestaand uit een netwerk van videocamera’s, digitale passen, irisscanners en gezichtherkenningsystemen. Systemen die niet alleen toegang geven tot een bepaald gebied, maar ook leefgebieden moeten beschermen tegen kwaadwillenden. Londen en ook Amsterdam beschikken over een ring of steel (de oude slotgracht) van honderdduizenden videocamera’s op de rondweg die de stad veilig moeten maken. Systemen die steeds geavanceerder worden. Zo is een wetenschappelijk onderzoek gaande naar bewakingssystemen die abnormaal gedrag herkennen. Zo zou een intelligente surveillancecamera de privacy beter kunnen beschermen. De computer herkent menselijke torso’s, armen en benen op zo’n manier dat beter is te bepalen met welke bedoelingen personen bewegen. Ook overheidscontrole via digitale sociale netwerken is nog maar een kwestie van tijd. We weten dat deze ontwikkeling gaande is, maar in dienst van onze veiligheid nemen we daar geen aanstoot aan of we zijn er nog steeds onverschillig voor. Er is een theorie dat middeleeuwse dorpen zijn uitgevonden om de boeren onder controle te houden en ze harder te laten werken. En dat het kasteel er niet was voor de bescherming, maar dat het de wachttorens waren van deze concentratiekampen. Wanneer zijn onze steden zulke concentratiekampen met de camera’s als digitale wachttorens?

6 Ibidem
7Gebaseerd op Erving Goffman, Totale instituties, Rotterdam 1975.
8Dit type polsbandje werd getest op het Eurosonic Noorderslag festival in Groningen rond het weekend van 14 en 15 januari 2012. Zie de Volkskrant maandag 16 januari 2012 V3.
9Herien Wensink, ‘Opsluiten, uitsluiten’, in: Het Grote Verhaal Kunstproject Jonas Staal NRC Handelsblad 3 november 2011.

Wat als Studio Job een poort had ontworpen die minder expliciet naar Buchenwald en Auschwitz had verwezen. Deze namen en plekken zijn verbonden met traumatische ervaringen en pijnlijke herinneringen. Dat het ontwerp als schokkend werd ervaren is niet verwonderlijk. De wond van Auschwitz is nog lang niet genezen. Sterker, de Jodenvervolging is een moreel ijkpunt geworden in de geschiedenis die steeds weer opnieuw ontdekt wordt en actueel blijft, wel of niet via incidenten als het Buchenwaldhek. Maar wat als het duo een poort had ontworpen die meer de vraag zichtbaar maakte wat een hekwerk is en waarom wij hekwerken nodig hebben? Dus een poort dat het systeem en structuur van het kamp als thema had. En deze poort, of poorten hadden geplaatst boven de toegangswegen naar Amsterdam om ons erop te attenderen dat we een toezichthoudende leefomgeving naderen. Een leefomgeving gecreëerd voor onze eigen vrijheid en veiligheid maar ook zo nodig voor het tegendeel gebruikt kan worden, om ons, denkend aan het middeleeuwse dorp en het ontwerp van Fleur Agema, te disciplineren tot efficiënte boeren en burgers. Een poort die een discussie kon uitlokken van wat de gevolgen kunnen zijn van het creëren van leefomgevingen met toezichthoudende digitalisering.
En wat was gebeurd als het Buchenwaldhek wel was gerealiseerd rond het landgoed van de verzamelaar? Er was een bel opgehangen zonder de aanstootgevende spreuk en de poort met hekwerk was even grimmig als dat we van de kampen gewend zijn, wat had hij dan laten bouwen en met welke bedoelingen? Had hij zijn eigen kamp gebouwd? Was hij een aanbidder en verzamelaar geworden van het nazi-erfgoed, hoe nep de poort ook zou zijn geweest? Of had hij ons een spiegel voorgehouden van de wijze waarop tegenwoordig ideale woongemeenschappen worden bedacht en gebouwd. Wie dat wil zien moet eens een wandelingetje maken door een welgestelde buitenwijk. De villa’s zijn omgeven door hoge muren of hekwerken voorzien van talloze camera’s. In de serie Nederland van boven was een nieuwe trend te zien. Woonwijken beschermd door een gracht en afgesloten door poorten die niet onderdoen voor de oude kasteel- of stadspoort, ook wel aangeduid als gated communities.

10Ibidem.
11Zie: Hugo Logtenberg, ‘Digitale ring scant alle auto’s’, in: Het Parool woensdag 7 september 2011
12Zie: Marc Hijink, ‘Intelligente oren en ogen’, in: NRC Handelsblad zaterdag 8 januari & zondag 9 januari 2011.
13Zie: Evgeny Morozov, ‘Internetsurveillance. De Stasi zou minder werk hebben gehad’, in: NRC Handelsblad Zaterdag 15 januari & Zondag 16 januari 2011.
14Dirk Vlasblom, ‘De mythische gedaanten van de Middeleeuwen’, in: NRC Handelsblad zaterdag 24 september en zondag 25 september 2011

Maar toch. Volgens mij had de verzamelaar geen kwaad in zin toen hij Studio Job de opdracht gaf tot het ontwerpen van een hekwerk. Maar wat hij precies met het hekwerk wilde uitdrukken bleef onduidelijk. Zijn argumentatie om met het project te stoppen blijft cryptisch, “Zeer tot mijn spijt heb ik moeten constateren dat het wordt geassocieerd met zaken die ik niet heb gewenst toen ik de opdracht gaf tot het maken van de poort.” Maar wat had hij gewenst? Natuurlijk een hekwerk rond zijn bezit. En zijn bezit is behalve landgoed met huis een kunstverzameling. Hij wilde zijn verzameling veilig stellen en net als vele musea doen, een systeem creëren zodat de kunst voor nu en het nageslacht behouden blijft. Blijkbaar zit de samenleving zo in elkaar dat wel haast een soort van concentratiekamp gebouwd moet worden (dát had Studio Job ons willen laten zien natúúrlijk) om de kunst veilig te stellen. Welk museum is tegenwoordig niet voorzien van detectiepoortjes, toezichthoudende camera’s en bewakers (suppoosten genoemd) die de bezoeker zo nodig op de voet volgen tot hij weer buiten staat. Het museum als kamp, Van Lieshout had het kunnen verzinnen, maar wel een kamp ter verheffing van de burger want daartoe zijn musea tenslotte ooit eens opgericht. De verzamelaar had als het Buchenwaldhek was gerealiseerd een goed kamp gebouwd. Bezoekers hadden zijn kunst kunnen bewonderen tegen de tijd dat zijn landhuis een museum was geworden; zo als dat dan tegenwoordig gaat. Ze hadden rondgedwaald en verlicht zijn landgoed verlaten. Het had niet zo mogen zijn. De verzamelaar was nog voor de bouw getransformeerd tot een kwaadaardige kampcommandant.

 
 
Roel Hijink studeerde aan de Academie voor Beeldende Kunsten Maastricht en Kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. In 2010 promoveerde hij op het proefschrift ‘Voormalige concentratiekampen. De monumentalisering van de Duitse kampen in Nederland’, dat in 2012 bij Uitgeverij Verloren in boekvorm verscheen. Momenteel doet hij aan de Vrije Universiteit in Amsterdam onderzoek naar de wijze waarop de herinnering aan de Duitse kampen in de beeldende kunst vorm heeft gekregen.